VUB professor Els Enhus is sociologe van opleiding. Toen de afdeling criminologie van de VUB een kwantitatief onderzoek wilde voeren over de relatie tussen de bevolking en politie, kwam ze bij Enhus terecht, die zo de stap naar de criminologie zette. Een juiste stap, met veel liefde voor het vak. Enhus werkt nog steeds in de vakgroep criminologie en is één van de specialisten inzake politie en veiligheid. Zijzelf en de vakgroep vinden het belangrijk maatschappelijk met beide voeten op het terrein te staan: debatten organiseren, kennis delen. Het gaat soms ten koste van artikels in buitenlandse tijdschriften, maar de keuze om ingebed te zijn in Brussel is een bewuste keuze waar Enhus trots op is.

Els Enhus (copyright Moeial, fotograaf Emily Schennach)

Els Enhus (copyright Moeial, fotograaf Emily Schennach)

Annemie Maes: Wat boeit jou vooral aan Brussel?
Els Enhus: De diversiteit en kruisbestuiving van gemeenschappen. Vanuit de vakgroep werken we vaak samen met collega’s aan de ULB en zij kijken soms op een andere manier naar de dingen, hebben andere netwerken, andere prioritaire dossiers. Die uitwisseling is heel verrijkend voor beide vakgroepen. Dat is zo boeiend aan Brussel. Ook op privévlak waardeer ik die verscheidenheid die je verplicht uit je kot te komen en de dialoog aan te gaan.

AM: Wij delen de liefde voor Brussel, maar helaas denken veel mensen bij Brussel aan een onveilige, vuile en slecht bestuurde stad. Ben je het, vanuit je professionele ervaring, eens met dit beeld?
EE: Absoluut niet. Brussel is een wereldstad, ze vergelijken met Gent of Antwerpen en dan zeggen dat Brussel onveiliger is, dat is appels met peren vergelijken. Brussel speelt een rol op wereldniveau, daardoor trek je ook een andere soort van criminaliteit aan. Bijvoorbeeld op vlak van financiële transacties.

AM: Is er dan zoveel financiële criminaliteit in Brussel?
EE: Zeker, een van mijn grote wrevels is dan ook dat de politie zich enkel bezighoudt met straatcriminaliteit zoals handtassendiefstal en niet met wat we de “verborgen criminaliteit” noemen. Die is niet zomaar verborgen. Het is de criminaliteit van de machtigen die door hun macht hun criminele daden als onschuldig laten definiëren.

AM: Is handtasdiefstal een groot probleem in Brussel?
EE: Nee, het topprobleem betreft auto’s, maar dat gaat dan zowel over inbraak in auto’s, beschadiging van auto’s en autodiefstal. Inbraken van woningen ook, al is dat zich aan het verplaatsen naar de rand rond Brussel, vooral gemeenten in Vlaams-Brabant.

AM: Dat strookt dan met het beeld over een slecht bestuurd Brussel waar alle criminelen wonen, die dan in de rand voor problemen zorgen.
EE: Dat zijn absoluut gratuite uitspraken, waar ik kwaad van word. We weten enkel hoeveel inbraken er worden gepleegd in Brussel en hoeveel in de rand, maar niet waar de daders wonen. De cijfers over criminaliteit bestaan uit 8 variabelen, daar zit niet bij waar de dader of het slachtoffer wonen. Zolang men niet bereid is om de statistieken aan te passen –wat perfect mogelijk is- gaan we gratuite uitspraken doen.

AM: Ik heb het gevoel dat de Franstalige politiek vreest voor stigmatisering als er statistieken over woonplaats zouden opgesteld worden. In de politieraad is Philippe Moureaux eens hard uitgevaren tegen mij omdat ik een pleidooi hield voor betere statistieken. Hij zag dat als een soort Vlaams Belang discours, terwijl mijn insteek was dat je preciezer kunt reageren als je meer info hebt over wie slachtoffer is, wie dader en waar ze wonen.
EE: Ik ben het met je eens. Indien je te weinig weet, kan je niet anders dan ofwel repressief handelen ofwel wachten tot er iets gebeurt en dan de daders proberen op te sluiten. Alles hangt af van de wijze waarop nadien met die cijfers wordt omgegaan en het vertrouwen dat je hierin hebt. In Nederland en Engeland doet men dit zonder enig probleem. Daar bestaan heel gedetailleerde studies over daders en slachtoffers. Je moet daarbij wel zowel zichtbare als onzichtbare criminaliteit in je statistieken opnemen.

AA: Wat bedoel je met zichtbaar en onzichtbaar?
EE: Zichtbare criminaliteit is wat wij zien gebeuren op straat, zoals een handtas die wordt gestolen. Onzichtbare criminaliteit definieer ik als misdaden die in de privésfeer gebeuren. Denk aan familiaal geweld, fraude, incest, seksisme, , racisme, machtsmisbruik, … Dingen die onderhuids, in de privésfeer gebeuren en waarbij bijna geen getuigen zijn. De criminaliteitscijfers focussen heel erg op het zichtbare, maar criminaliteit is veel meer dan dat. Buitenlands onderzoek toont aan dat daders van zichtbare criminaliteit meestal uit lagere klassen komen. Hetzelfde geldt trouwens voor de slachtoffers. Maar onzichtbare criminaliteit is even belangrijk. We hebben seksisme strafbaar gesteld, dat betekent dat we ook statistieken moeten maken die deze vorm van criminaliteit omvatten.

AM: Zijn er cijfers over slachtoffers van misdaden?
EE: Neen, de slachtofferenquêtes zijn afgeschaft. De laatste dateert van 2009. Maar de vraag is of je met slachtofferenquêtes wel de ondergroep bereikt. Daar ben ik niet van overtuigd. Maar ik ben het wel eens met je standpunt dat je cijfers nodig hebt om een gefocust beleid te kunnen ontwikkelen.
Een vraag die we ons te weinig stellen is wie er eigenlijk in de stad woont. Er zijn veel verschillende motieven om in een stad te wonen, Een nieuw leven beginnen is daarvan de meest evidente. Deze “migranten” komen toe in wijken van aankomst, waar ze kunnen terugvallen op een netwerk dat er al is: een broer of een neef van een neef,…

AM: Molenbeek zo’n gemeente
EE: Ja, Anderlecht ook. Zo’n wijken liggen vaak in de buurt van stations. Maar ook de Europese wijk is een aankomstzone, zij het dan voor hoogopgeleiden die dan weer daar hun netwerk hebben. Beide groepen komen naar Brussel om economische redenen, voor een job. Maar de problematiek is totaal anders. Voor de één is het overleven, voor de ander gaat het om een relatief luxueus leven. Beide groepen hebben hun eigen netwerk en leven relatief geïsoleerd.

AM: Dat is het verhaal van de “have” en de “have not”.
EE: Ja, maar je hebt ook mensen die naar een stad komen omdat je hier het recht hebt om anders te zijn. Wie in een klein dorp woont, krijgt al snel commentaar omdat hij bvb anders geaard is of kunstenaar is. Die mensen zoeken de mogelijkheid op zichzelf te zijn, soms ook de anonimiteit. De have nots komen om economische redenen, vanuit een soort overlevingsstrategie. De have’s komen naar de stad owv de gigantische mogelijkheden die de stad biedt, bvb op het vlak van cultuur, maar ook als centrum van macht.

AM: Veel mensen hebben het beeld dat het de bewoners van de betere wijken zijn die het meeste last hebben van criminaliteit. Je zei net dat dit niet klopt wat betreft de onzichtbare criminaliteit. In welke mate spelen de media een rol in die beeldvorming. Krijgen vooral de have’s een megafoon? Is hier al onderzoek naar gedaan?
EE: Zeker. Zo hebben we bvb een onderzoek gedaan naar stadsbendes in grote steden. We deden interviews en focusgesprekken met mensen uit het middenveld die werken rond stadsbendes: sociale werkers, straathoekwerkers, politie, … Wat bleek tot onze grote verrassing? Velen waren uiteindelijk niet bezig met bendes, maar met jongeren die rondhangen op straat of overlast veroorzaken. Tijdens de discussie in de focusgroep bleek dat mensen die dachten bezig te zijn met bendes, eigenlijk moesten toegeven dat ze bezig zijn met hangjongeren die met lawaaierige brommertjes rondrijden en joints roken. Tijdens het onderzoek bleek eveneens dat de media een rol speelden in de foute beeldvorming.

AA: stuit u in uw onderzoek ook op racisme?
EE: Tijdens een onderzoek dat ik voerde naar gewapende overvallers en inbrekers hoorde ik schokkende verhalen. Ik vind persoonlijk dat wij een racistisch land zijn en dat heeft serieuze consequenties. Mensen met een andere etnische achtergrond vinden moeilijk werk omwille van die achtergrond, terwijl uit onderzoek naar de rol van migranten in steden blijkt dat net dankzij hen steden zich vernieuwen en winnen aan dynamiek. Wel is het zo dat migranten zich hier vaak traditioneler gedragen dan in hun land van herkomst. Dat kan je jammer vinden, maar er zit wel een logica achter. Wie moet overleven in een economisch problematische situatie zoekt zijn eigen gemeenschap op. Je hebt een netwerk nodig, een vrouw die op je kind let als je even weg moet, iemand die je helpt je weg te vinden. Je ziet ook dat zo’n gemeenschap uiteen valt van zodra de personen het economisch beter hebben. Hetzelfde zie je in historisch onderzoek naar de arbeiderswijken, bvb van Catharina Lis en Hugo Soly: solidariteit heeft een economische oorzaak. Daarbij komt ook nog eens dat wij, de autochtone Belgen of de burgerij, in het geval van het onderzoek over de arbeiders, de ‘anderen’ ook nog eens naar elkaar toe duwen. Dat is de situatie waar we vandaag in gekomen zijn.

AA: Is er een verschil tussen eerste, tweede of derde generatie?
EE: Migratie moet je bekijken in golven. We zitten al aan de derde generatie Marokkanen, terwijl Indiërs en Pakistanen vaak de eerste generatie migrant zijn. Problemen gebeuren eerder met diegenen die tot de tweede en vooral derde generatie behoren. Zij hebben hun weg al gemaakt maar vallen tussen twee culturen, in een gekunstelde setting, geconfronteerd met heel wat deuren die gesloten blijven terwijl ze hadden verwacht dat die intussen open zouden zijn. Dat zorgt voor frustratie. Vooral omdat “Iets zijn”, een identiteit hebben, in elke cultuur belangrijk is.

AA: Hoe kijk jij naar onze politie en de politiehervorming die dertien jaar geleden zijn intrede deed? Staat de politie te ver van de gewone mens? Mijn vader, die politieagent was en waar ik zeer trots op ben, vindt dat de politie te veel is afgegleden naar structuren.
EE: In mijn onderzoeken ben ik fantastische politiemensen tegengekomen, zoals je vader, met een enorm brede visie. Dan pas zie je hoeveel vaardigheden je moet hebben om dat beroep te doen. De politiehervorming was voor de lokale politie een heel goede zaak want voor de hervorming was de gemeentepolitie veel te divers. Dat de lokale politie nu voor de basispolitiezorg moet instaan vind ik een fantastisch idee. De politieman als de grote generalist die dicht bij de mensen staat. Korpschefs praten met een enorm professionalisme … in Vlaanderen en Wallonië. Maar dan komen we bij Brussel. Hier zijn zes zones voor 19 heel diverse gemeentes waarin per gemeente wijken zijn met “have’s” en “have nots”. Wijken met eigen noden en verwachtingen. Door deze zones op grote schaal kom je tot een weinig coöperatieve houding van de verschillende burgemeesters, waardoor er grote spanningen zijn over prioriteiten en accenten, ook tussen de korpsen.

AM: Is het ook een probleem dat politiemensen die in Brussel werken vaak niet zelf in Brussel wonen?
EE: Absoluut. Nu worden alle jonge afgestudeerden uit de politiescholen over het hele land in Brussel gedumpt. Afgestudeerden uit piepkleine dorpjes die hier rondlopen met allerlei vooroordelen over Brussel of met een bang hart hier politiewerk doen. De meest onervarenen worden in een fenomenaal complexe stad te werk gesteld. Dat is absurd.

AM: Hoe zou jij dit oplossen?
EE: Politieagent zijn in Brussel zou een privilege moeten zijn. Iets wat je mag doen omdat je zo goed bent in je job. Geef premies voor kwalitatief politiewerk, honoreer mensen die goed zijn. Dat gebeurt nu niet.

AM: Er zijn behalve pas afgestudeerde politiemensen wellicht nog andere drempels: de politiecultuur, het wantrouwen van de eigen gemeenschap,… Hoe los je dat op?
EE: Beide spelen inderdaad een rol. Er zijn drempels van beide kanten. We hebben pas een onderzoek gedaan bij recruten en gepeild naar hun politieke voorkeur. Blijkt dus dat die heel conservatief zijn. Maar als migrant de stap naar een politiejob zetten is ook niet evident omwille van de druk binnen de eigen gemeenschap. Terwijl het net belangrijk is dat er binnen het politiekorps genoeg mensen zijn die uit de lokale gemeenschap komen, mensen die er oog voor hebben dat men ook vaak slachtoffer is, niet enkel dader, mensen die feeling hebben met de gemeenschap. Uit onderzoek blijkt trouwens dat een aantal politieagenten van allochtone origine wel hard geapprecieerd wordt door hun eigen gemeenschap. Juist omdat ze de cultuur kennen en daarom kunnen bemiddelen of op een andere manier tussen komen.

AA: Zo’n figuren hebben een voorbeeldfunctie. Hoe kan men ervoor zorgen dat ze met meer zijn?
EE: De selectie zou niet langer enkel federaal mogen gebeuren. Politiemensen leren om niet te denken, maar om uit te voeren. Op die manier geraken een paar zeer goede krachten niet door de selectie voor de politieschool. In de nota “Politie 2025” staat niet expliciet dat ze diversiteit willen, maar Catherine De Bolle toont wel de wil om dit te wijzigen.

AA: Iets anders: hoe zie jij het huidige systeem van GAS-boetes?
EE: Ik blijf mij daartegen verzetten. Opnieuw gaat het over die zichtbare criminaliteit waar veel hetze over gemaakt wordt. Het kan niet dat we de verantwoordelijkheid bij gemeenten gaan leggen omdat onze parketten niet kunnen volgen. Ik vind het systeem van scheiding der machten een heel belangrijk principe waaraan we niet mogen raken. Ik snap niet waarom het parket in België zo slecht functioneert. In Nederland zijn er 26 zones en daar kan je veel korter op de bal spelen. Daar zit het parket in het politiekantoor en als er iets gebeurt kan daar on the spot beslist worden wat eraan moet gedaan worden. Het seponeringspercentage van het parket in Nederland bedraagt ook maar 30%, tegenover 70% à 80% in België, afhankelijk van het delict. 94% van de inbraken wordt geseponeerd omdat de procureur geen tijd heeft om zich met iets zo ‘kleins’ bezig te houden. Een totaal mank lopend systeem.

AA: Het parket functioneert niet en daarom zijn de GAS-boetes ingevoerd om de straffeloosheid tegen te gaan die anders zou ontstaan.
EE: Dat is voor de politie ook heel demotiverend. Politie neemt soms het heft in eigen handen omdat het parket geen tijd heeft en niets doet. De frustratie zit diep bij hen. Het is ontoelaatbaar, maar ik begrijp het wel.

AM: Wat wil je zelf aan Brussel veranderd zien? Wat zijn je dromen?
EE: Steden in het algemeen en Brussel in het bijzonder zullen steeds belangrijker worden. Hoe kunnen we instaan voor de zorg voor al die mensen? We moeten evolueren naar een stad die inzet op zelfvoorzienigheid, door bijvoorbeeld collectieve tuinen aan te leggen, waarin mensen hun groenten kunnen telen. Dit kan ook gemeenschapsbevorderend zijn. Een stad is een sociologisch geheel. Vilvoorde is eigenlijk al Brussel. We moeten breder gaan denken. Mijn grote vrees is segregatie. In de Zavel hangen bijvoorbeeld overal camera’s, daarnaast, in de Marollen, vind je er geen enkele. Er is een kloof tussen de wijken waar de macht werkt en woont en de armere wijken. Terwijl je in de stad juist diversiteit en ontmoeting moet garanderen.
Mensen maken de stad. Denkers, planners, politici, criminologen… Maar daarnaast ook alle mensen die hier wonen, leven, voelen, genieten of zich ergeren. Dialoog is belangrijk. De dialoog tussen planners of politici en wie hier woont. Je kan een plein mooi heraanleggen en dan vaststellen dat mensen het niet gebruiken zoals je bedoeld had. Daar moet je dan geen GAS-boetes voor uitschrijven, maar met de bewoners en gebruikers in dialoog gaan.